De recente sancties, digitale blokkades en het afknijpen van toegang tot cruciale systemen voor medewerkers van het Internationaal Strafhof (ICC) laten een ongemakkelijke waarheid zien: internationale rechtspraak, die boven nationale belangen zou moeten staan, blijkt kwetsbaar voor politieke druk én afhankelijk van de infrastructuur van commerciële Amerikaanse techbedrijven.
Daarbovenop komt het pijnlijke feit dat de Verenigde Staten zelf geen lid zijn van het ICC. Zij erkennen de jurisdictie van het hof niet en verzetten zich al jaren actief tegen onderzoeken die hun eigen militairen of politieke leiders zouden kunnen raken. Dat zegt veel over het vertrouwen in hun eigen rechtsstaat, én over de bereidheid om internationale regels te respecteren.
Deze combinatie van Big Tech-macht, politieke willekeur en Amerikaanse uitzonderingspolitiek vormt een structureel risico voor onafhankelijk internationaal recht. In dit artikel zoomen we in op wat er misgaat, waarom dat gevaarlijk is en wat dit betekent voor landen die wél zeggen de rechtsstaat serieus te nemen.
De eerste waarschuwing: de geblokkeerde mailbox van Karim Ahmad Khan
In 2025 verloor ICC-hoofdaanklager Karim Ahmad Khan de toegang tot zijn zakelijke Microsoft-account. Dit gebeurde nadat de Verenigde Staten sancties oplegden tegen het Internationaal Strafhof, naar aanleiding van arrestatiebevelen tegen Israëlische leiders.
Microsoft, als Amerikaans bedrijf, moest de Amerikaanse sanctieregels volgen. Het gevolg: de hoofdaanklager van het ICC werd digitaal buitengesloten van een deel van zijn werkcommunicatie. Geen neutrale technische fout, maar een direct gevolg van politieke druk.
Dit incident liet drie dingen glashelder zien:
- Internationale instellingen zijn sterk afhankelijk van Amerikaanse digitale infrastructuur.
- Eén juridische beslissing in Washington kan direct doorwerken in de ICT van een internationaal hof in Den Haag.
- Een individuele aanklager kan praktisch worden tegengewerkt via een simpele combinatie van sanctielijsten en platformregels.
Het was een soort vroeg waarschuwingssignaal: internationale rechtspraak draait op systemen die door een ander land worden gecontroleerd.
Sancties tegen ICC-rechters: een nieuwe escalatie
In augustus 2025 gingen de Verenigde Staten nog een stap verder en kondigden sancties af tegen verschillende ICC-rechters, waaronder een Franse rechter. Dit betekende niet alleen symbolische veroordeling, maar ook tastbare gevolgen in het dagelijks leven.
De sancties zorgden ervoor dat:
- Amerikaanse bedrijven geen diensten meer mochten leveren aan deze rechters.
- Financiële instellingen rekeningen gingen blokkeren of extra beperkingen oplegden.
- Hotels, apps, reisplatformen en andere diensten automatisch “nee” zeggen zodra er een gesanctioneerde naam opduikt.
- De betrokkene wereldwijd effectief digitaal kan worden uitgesloten.
Zo ontstaat een moderne vorm van isolement, niet door tralies of muren, maar via bankfilters, API-calls, veiligheidsprotocollen en Terms of Service. Alles netjes “volgens de regels”, maar inhoudelijk gericht op het ondermijnen van mensen die hun werk doen voor een internationaal gerechtshof.
Waarom dit fundamenteel gevaarlijk is
Het Internationaal Strafhof gebruikt, net als talloze andere organisaties, diensten als Microsoft 365, commerciële cloudplatforms, internationale betalingsnetwerken en reguliere digitale communicatiekanalen. Het hof beschikt niet over een volledig eigen, soevereine digitale infrastructuur.
Dat betekent dat een combinatie van politieke sancties en bedrijfspolitiek voldoende is om:
- een aanklager digitaal te isoleren;
- rechters de toegang tot documenten of systemen te bemoeilijken;
- onderzoeken te vertragen of stil te leggen;
- personeel persoonlijk en professioneel onder druk te zetten.
Dit is geen theoretisch scenario, maar iets dat al concreet aan de orde is geweest. Rechtspraak die afhankelijk is van commerciële platforms, is per definitie kwetsbaar voor macht die buiten de rechtszaal ligt.
De Verenigde Staten en het ICC: niet aangesloten en sterk gekant
Een cruciale achtergrond: de Verenigde Staten zijn geen lid van het Internationaal Strafhof. Zij hebben het Statuut van Rome niet geratificeerd en erkennen de jurisdictie van het ICC niet over Amerikaanse militairen en politici. Al jaren voert de VS campagne tegen onderzoeken van het ICC die Amerikaanse of bevriende leiders kunnen raken. Er zijn zelfs wetten aangenomen die de mogelijkheid openhouden om in te grijpen als Amerikaanse burgers door het ICC zouden worden aangehouden in Den Haag.
Dat roept een ongemakkelijke vraag op: als een land vol vertrouwen is in zijn eigen rechtsstaat en handelen, waarom zou het dan principieel tegen een onafhankelijk internationaal hof zijn dat zich richt op de zwaarste misdrijven, zoals oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid? Een integere natie, die haar eigen handelen als rechtmatig en zorgvuldig beschouwt, zou controle door een neutraal tribunaal niet hoeven te vrezen. Het harde verzet tegen het ICC suggereert eerder een diep wantrouwen tegenover externe toetsing en een sterke behoefte om boven het internationaal recht te staan.
Populisme, Big Tech en de knoppen van de rechtsstaat
De combinatie wordt extra gevaarlijk wanneer een populistische leider aan de knoppen zit in Washington. Denk aan een president die internationale verdragen afdoet als last, internationale hoven als vijandig ziet en het liefst elke vorm van externe controle afwijst.
Zo’n leider heeft indirect toegang tot:
- de juridische instrumenten om sancties in te zetten tegen het ICC;
- het bedrijfskader waarin Big Tech-bedrijven verplicht worden mee te werken;
- een economisch en technologisch systeem dat wereldwijd wordt gebruikt.
In zo’n situatie kan een tweet, een decreet of een beleidswijziging genoeg zijn om de werking van een internationaal gerechtshof praktisch te verstoren. Niet met tanks of bombardementen, maar met blokkades van accounts, afgesloten servers en het weigeren van diensten.
Digitale obstructie is ook obstructie van recht
Een land kan er politiek voor kiezen geen lid te worden van het ICC. Dat is een keuze over hoe ver je internationale jurisdictie accepteert. Maar zodra een land verder gaat en:
- medewerkers van het hof persoonlijk financieel en digitaal blokkeert;
- hun toegang tot digitale infrastructuur belemmert;
- onderzoeken bemoeilijkt door communicatiekanalen af te sluiten;
- bedrijven dwingt om mee te werken aan individuele sancties,
dan gaat het niet meer om een politieke positie, maar om obstructie van rechtspraak. Wie onderzoekt hoe en tegen wie dat soort instrumenten worden ingezet, ziet al snel een patroon van belangenbescherming en druk uitoefenen op een hof dat juist boven nationale machtspolitiek zou moeten staan.
Wat dit betekent voor Europa en de rest van de wereld
Het Internationaal Strafhof staat in Den Haag en wordt vaak trots aangehaald als een kroon op de internationale rechtsorde. Maar onder de motorkap blijkt het hof in hoge mate afhankelijk te zijn van Amerikaanse digitale diensten en financiële kanalen.
Voor Europa betekent dit onder andere:
- dat de eigen rechtsorde afhankelijk is van buitenlandse techbedrijven;
- dat sancties en juridische beslissingen elders direct effect hebben op Europese instituties;
- dat er weinig controle is over de digitale basislaag van rechtspraak;
- dat digitale soevereiniteit meer is dan een modewoord: het gaat over de vrijheid om recht te spreken zonder technische gijzeling.
Wie internationale gerechtigheid serieus neemt, zal ook de infrastructuur serieus moeten nemen waar die gerechtigheid op draait.
Wat zou er moeten veranderen?
Als de wereld wil voorkomen dat rechtspraak letterlijk op “uit” gezet kan worden, zijn een aantal stappen noodzakelijk:
- Internationale organisaties zoals het ICC zouden moeten investeren in eigen, niet-afhankelijk digitale infrastructuur.
- Europa zou zelfstandige cloudoplossingen en communicatiesystemen moeten uitbouwen voor kritische instellingen.
- Er zouden internationale afspraken moeten komen die techbedrijven verplichten neutraal te blijven ten opzichte van internationale gerechtshoven.
- Transparantie rond digitale blokkades, blacklists en sanctie-uitvoering moet veel groter worden.
- Er moet een breder debat komen over de legitimiteit van landen die geen lid zijn van het ICC, maar wel actief proberen om het hof te ondermijnen.
Rechtspraak kan pas werkelijk onafhankelijk zijn als zij niet afhankelijk is van de infrastructuur en de politieke wind van een ander land.
Wie het recht wil verdedigen, moet de infrastructuur veiligstellen
De blokkade van de mailbox van Karim Ahmad Khan, de sancties tegen ICC-rechters, de digitale uitsluiting van medewerkers en het structurele verzet van de Verenigde Staten tegen het Internationaal Strafhof laten zien hoe kwetsbaar internationale rechtspraak nu is.
Een combinatie van sanctieregels, economische druk en techbedrijf-politiek kan er de facto toe leiden dat onderzoeken worden vertraagd, rechters persoonlijk geraakt worden en een hof in Den Haag afhankelijk blijft van servers en systemen aan de andere kant van de oceaan. Dat is niet alleen een technisch probleem, maar een democratische en juridische crisis. Zolang het mogelijk is om rechtspraak uit te zetten via wachtwoordblokkades, sanctielijsten en dienstenvoorwaarden, is geen enkele internationale rechtsorde echt veilig.
De gebeurtenissen rond het ICC in 2025 zouden daarom niet gezien moeten worden als een randnieuwtje, maar als een waarschuwing. Voor Europa, voor landen die het hof wel steunen en voor iedereen die denkt dat recht boven macht zou moeten staan.




